|
De geschiedenis van Schotland.
Hoe het begon....
De eerste bewoners van Schotland waren de Caledoniërs, een Keltisch volk dat in 80 n.Chr. door Agricola aan Rome werd onderworpen.
Het uiterste noorden werd bewoond door Picten en Scoten die hun onafhankelijkheid wisten te bewaren. Hier bouwden de Romeinen
een 'muur': die van Antonius uit 138-143, van Bo'ness aan de Forth tot aan Old Kilpatrick aan de Clyde. Hij bestond uit een
aarden wal met een gracht en om de drie kilometer een fort. Voor het eind van de 2e eeuw werd hij al weer verlaten en werd
een nieuwe muur aangelegd, zuidelijker, ongeveer langs de huidige grens tussen Schotland en Engeland. Deze muur van
Hadrianus is nog voor een groot deel intact. Tijdens de duistere middeleeuwen was Schotland net als de rest van
Groot-Brittannië een smeltkroes voor de zwervende volken van noordelijk Europa. Angelen, Britten, Picten en Schotten
bewoonden verschillende delen van het land en hadden weinig met elkaar gemeen behalve de nieuwe christelijke leer en de
vrees voor overvallen door de Noormannen. Deze gedeelde vrees bracht de Picten en Scoten er tenslotte toe zich in 844 te
verenigen onder één koning, Kenneth MacAlpin. Zowel hij als zijn opvolgers probeerden het rijk uit te breiden naar het
zuiden maar het duurde nog tot 1018 voordat Malcolm II voordeel trok uit de nederlaag van de koning van Northumbria tegen
de Noormannen en de Schotse heerschappij vestigde tot aan de Tweed.
De fragiele eenheid kreeg een klap toen Malcolm III in 1069 trouwde met de Saksische prinses Margaret. Zij was een krachtige
persoonlijkheid die Malcolm ertoe bewoog het feodale stelsel van landeigendom in te voeren en die de praktijk van de
Keltische kerk in overeenstemming bracht met de beginselen van Rome; zij vervreemdde haar echtgenoot van zijn
noordelijke onderdanen door het Gaelic af te wijzen als hoftaal ten gunste van Saksisch en Frans. Hun zoon
David I (1124-1153) deed veel om de handel met Europa te bevorderen, maar ook moedigde hij de Anglo-Normandiërs aan en
gaf ridders uit Engeland zelfs land. Deze mannen en hun nakomelingen hadden een diepgaande invloed: de handel bloeide
in de Laaglanden, de Engelse taal verspreidde zich en tenslotte eiste door onderlinge huwelijken de Engelse kroon de
opperheerschappij over Schotland op. Dit was zelfs voor de zwakke koning John Balliol te veel. Hij verzette zich tegen
de Engelse Edward I die in 1296 binnenviel en de Laaglanden verwoestte. In deze moeilijke tijden kwam een andere leider
naar voren, Robert the Bruce die in 1306 tot koning werd gekroond. Hij was een krachtige vorst die de Hoog- en Laaglanden
verenigde en in 1313 bij Bannockburn een beslissende overwinning behaalde op de Engelsen. Bruce's dochter trouwde met
Walter, de 'High Stewart of Scotland' en dat werd ook de titel van hun nakomelingen - de lange en dikwijls tragische lijn van
de Stuarts. De meesten stierven een gewelddadige dood op jeugdige leeftijd en hun erfgenamen volgden dan op als minderjarigen.
Dit leidde tot gevechten onder de naar meer macht strevende edelen van de Laaglanden en ook de Hooglanden zochten het in de
wapenen. James IV deed veel om de orde te herstellen en bracht een zekere mate van welvaart. Maar toen riep Frankrijk, dat
in oorlog was met Engeland, de hulp in van Schotland onder de voorwaarden van de 'Auld Alliance' uit 1295. In 1513 viel
James Engeland binnen, sneuvelde bij Flodden en weer werd een kind, James V, koning.
Noch de regering van James V noch die van zijn dochter, Mary Queen of Scots, was een gelukkige. Mary was een week oud toen
zij in 1542 op de troon kwam. Op haar zesde werd zij uitgehuwelijkt aan de ziekelijke Franse kroonprins en op haar
negentiende keerde zij als weduwe terug naar haar Schotse rijk. Tegen 1561 was het grootste deel van het land onder sterke
invloed van het calvinisme zoals dat gepredikt werd door John Knox. Mary had een nogal gecompliceerd particulier- en
huwelijksleven terwijl haar echtgenoten en de rest van de adel zich verloren in eindeloze intriges. In 1567 werd Mary
gedwongen afstand te doen van de troon ten gunste van haar zoontje, de latere James VI. Zij vluchtte naar Engeland en zocht
bescherming bij haar nicht Elisabeth I. Die kon haar dit echter niet bieden en in plaats daarvan zette zij haar negentien jaar
lang gevangen en tenslotte werd zij terechtgesteld. James VI die opgevoed was in haat tegen zijn moeder, maakte slechts
formele bezwaren temeer omdat hij er vrijwel zeker van was Elisabeth na haar dood te zulIen opvolgen. Dit gebeurde dan ook
in 1603 en eindelijk waren beide rijken verenigd onder één heerser. De verplaatsing van het hof was een bittere slag voor
Schotland, hoewel het nog meer dan een eeuw lang zijn eigen regering behield.
Onder protesten van de meerderheid van de bevolking bezegelde het Schotse parlement tenslotte in 1707 zijn lot als aparte
natie in ruil voor godsdienstvrijheid, vrijhandel met Engeland, het behoud van eigen wetgeving en 45 zetels in het parlement
van Westminster. Tot 1997 heeft de Schotse onafhankelijkheid alIeen bestaan in de geest van de mensen, maar was daarom niet
minder echt. In 1998 kreeg Schotland zijn onafhankelijkheid weer terug en is er een eigen parlement met 129 zetels.

Landschap
Schotland is groot: met meer dan 78000 km2 ruim 2,5 maal zo groot als Nederland en toch maar 5 miljoen inwoners.
Trekt men van dat inwonertal de grote stadsagglomeraties van Glasgow en Edinburgh af, dan blijven er minder dan 4 miljoen over.
En als men zich realiseert dat de meesten daarvan in stadjes en dorpen leven, blijkt daaruit wel hoe dun bevolkt het land is,
vooral de Hooglanden.
Er zijn drie duidelijke landschapstypen. Vanaf de grens met Engeland is dit eerst het Zuid-Schotse bergland: geen
aaneengesloten bergreeks en als men aan andere Europese gebergten denkt zijn het zelfs nauwelijks bergen, maar sterk
geplooide van zuidwest naar noordoost lopende ruggen met in het hoogste, oostelijke deel Broad Law, een top van 840 m.
Er is één grote rivier, de Tweed, die in zijn benedenloop de grens vormt met Engeland en bij Berwick uitmondt in de Noordzee.
De hoogvlaktes in dit gebied zijn vaak bedekt met hoogveen.
Vervolgens het Schotse Laagland. Dit is een verzakkingsgebied dat niet helemaal laagland is, maar wordt doorsneden door
verschillende heuvelruggen zoals de Ochill Hills ten noorden en de Pentland Hills ten zuiden van de 65 km lange laagte
tussen de Firth of Clyde en de Firth of Forth. Het Laagland is vruchtbaar en rijk aan mineralen (steenkool, ijzer, lood,
zilver). De belangrijkste rivier van Schotland, de Clyde, stroomt door een groot deel van het Laagland.
Tenslotte het noordelijkste en grootste deel, de Hooglanden, die in het zuiden vrij steil afdalen. Het is een sterk
ingesneden plateau dat in tweeën gedeeld wordt door de slenk van Glen More. Het Caledonisch Kanaal vormt de verbinding
tussen de vele meren in deze laagvlakte. Ten noorden ervan liggen de North West Highlands, ten zuiden de Grampian Mountains
met de hoogste toppen van het land: Ben Nevis (1343 m), Ben Macdhui (1311 m) en Ben Lawers (1214 m). De belangrijkste
rivieren zijn de Forth, de goed bevaarbare Tay en de Dee, die bij Aberdeen uitmondt in de Noordzee.
De kust, vooral in het westen, is een typische fjordenkust; verder zijn er talloze meren en meertjes waarvan Loch Lomond ten
noordoosten van Glasgow het grootste en misschien ook wel het beroemdste is.
Schotland heeft een zeeklimaat dank zij de matigende invloed van de Golfstroom die langs de west- en noordkust strijkt.
De winters zijn betrekkelijk zacht en de zomers koel, maar de temperatuurschommelingen worden groter naarmate men het
binnenland in gaat.
Bron: Prisma



|